×

Capture d’écran 2013-05-28 à 14.56.22

GENADE

Vraag: Iemand die een stilte-ervaring heeft gehad, zou in deze toestand van helderheid willen blijven, maar moet vaststellen dat dit onmogelijk is. Daarom gaat hij boeken lezen en zoekt het gezelschap op van wijzen. Misschien studeert hij jarenlang bij een grote goeroe, hij mediteert, doet yoga en pranayama, wijzigt zijn voedings- en andere gewoonten… kortom, hij onderneemt wat men een ‘sadhana’ noemt. Maar ondanks dit alles blijkt duidelijk uit mijn ervaring en uit die van mijn vrienden dat men snel een punt van verzadiging bereikt en men schijnbaar voor jaren, ja zelfs voor decennia, ter plaatse blijft stagneren. Alsof de dorst niet gelest werd. Misschien werd er iets essentieel vergeten ? Is dit niet iets wat men ‘genade’ noemt ? En wat is dat : genade ? Van waar komt zij ? Hoe werkt zij ?
E.B.: Dat waarover we kunnen praten, wat we kunnen begrijpen, wat ergens vandaan komt, kunnen we geen genade noemen. Volgens de traditionele benaderingen steunt Genade op geen enkele objectieve situatie. Zij komt uit zichzelf, door zichzelf. Zij kan nergens vandaan komen, tenzij uit het hart. Zij komt niet voort uit een activiteit, en kan evenmin door het beperkte menselijke brein begrepen worden. Men kan er dus, buiten dit, niets over zeggen.
In je vraag merk je terecht op dat eerst de intuïtie komt en pas daarna de sadhana. De intuïtie bestaat er niet in dat men zijn ware natuur ziet. Dit is niet mogelijk, want dit is iets dat men niet kan ervaren. Het gaat om de intuïtie van wat we niet zijn. Wij zien heel helder onze mechanismes, onze arrogantie, onze angsten, onze beperkingen, zonder de wil om er ook maar iets aan te veranderen. We stellen de feiten vast in alle nederigheid. Het zien van wat we niet zijn, noemt men in het Oosten de intuïtie van wat we wel zijn.
Dit moet duidelijk gezien worden, want het merendeel van de mensen koestert de fantasie om wat ze zijn te willen bedenken of visualiseren.
Een sadhana, tenminste voor wat de traditie van het Kashmir Shaivisme betreft, kan nooit als bedoeling hebben om je waar dan ook terug te brengen. Wat zonder oorzaak, zonder sadhana verschenen is, kan niet vanuit een oorzaak terugkeren. De eerste intuïtie is zonder uitnodiging verschenen, niets kan haar doen terugkeren. Het leven beslist over deze ontwikkeling.
Daarom ziet de Kashmir-traditie sadhana niet als een poging om tot iets te komen, maar als een uitdrukking van deze oorspronkelijke intuïtie. Anders doet men een yoga in dynamische zin, vanuit de dwaze gedachte dat het kleine het grote kan bereiken, een democratische fantasie.
Sadhana is de kunst om, op lichamelijk en geestelijk niveau, het meerdere uit te drukken in het mindere. In het Oosten worden alle kunsten als sadhana gezien: dans, poëzie, krijgskunst, liefdeskunst. In India is muziek de sadhana van de musicus. Voor een arbeider is het zijn arbeid, voor een weduwe is het haar eenzame leven. Alle omstandigheden van het leven kunnen beschouwd worden als een sadhana, als de overtuiging dat het leven er niet is om iets te bereiken of te verwerven.
Wat door de genade gekomen is, kan alleen door haar terugkomen.
In een moment van beschikbaarheid is de vanzelfsprekende waarheid verschenen. De yoga sadhana kan jou er nooit terugbrengen. Het ontwaken van de energie en al de kleine verschijnselen er rond zijn uitdrukkingen van het bewustzijn op het niveau van lichaam en geest. Het niveau van de verschijnselen kan zich niet bij het bewustzijn voegen, maar het kan erdoor verlicht worden: je kunt je realiseren dat je lichaam en je denken niet leven op het niveau van je begrijpen en van je overtuiging. Je realiseert je hoezeer de agressiviteit, de angst en het verlangen de hele structuur van je lichaam en geest vullen met plannen en strategieën. Dan laat je bewust toe dat je geest-lichaam deze intuïtie weerspiegelt, wat betekent dat er openheid is en de ontdekking van innerlijke ruimte.
Nogmaals, het technische aspect is er niet om deze openheid te creëren, maar om zich te realiseren dat wij niet open zijn. Je voelt hoezeer je lichaam gespannen is en je zwijgt. In deze stilte ontwarren zich de spanningen en verwijzen naar de stilte. Je geeft je er rekenschap van hoezeer je in een attitude van willen leeft, hoezeer je in angsten en verwachtingen leeft. Je observeert dit zonder commentaar. Niemand vraagt je om hiervan te houden of niet, noch om te denken dat het anders moet zijn. Je leeft met het feit: ik leef in de arrogantie, in eigenwaan, dit heeft duidelijk een plaats in mij. Ik probeer niet om morgen anders te zijn. Ik leef met mijn beperkingen. In hetzelfde ogenblik dat men helder openstaat voor het feit, kan de beperking zich langzaam oplossen in de openheid.
Men kan zich niet bewust richten op een toestand van openheid ; men kan slechts constateren dat die toestand geblokkeerd is. Je laat dus toe dat je geest zich opent voor die overtuiging dat je niets kunt bereiken, dat je totaal idioot zult sterven. Het zou kunnen dat je het volgende ogenblik sterft, dus heb je niet de tijd om wat dan ook te bereiken of te verwezenlijken. In de sadhana leef je met het gevoel dat je het komende moment gaat sterven. Je maakt niet langer plannen, je handelt alleen nog om de vreugde van het handelen zelf.
Als men je zegt dat je zo dadelijk moet sterven, wat doe je dan ? Niets. Je roept niemand, je denkt aan niets, je geniet alleen ten volle van het zien, het ruiken, het horen, het voelen. Het is de laatste seconde van je leven; je bent in deze schoonheid.
In deze geest vindt de sadhana plaats. Je gaat zitten om de vreugde van het zitten, je beoefent yoga om de vreugde van de yoga, je zingt om de vreugde van het zingen. Er is geen tijd, het leven is te mooi en gaat te snel voorbij om tijd te hebben om wat dan ook te verwezenlijken. Ook de kleinste bedoeling -— zoals yoga doen om morgen beter te zijn — werkt niet ; je zult sterven vooraleer je beter bent. Men kan slechts nu handelen. Je gaat naar de satsang omdat dit nu in je resoneert. Je geeft je over aan de yoga omdat de genade je raakt. Je beoefent het boogschieten, je zingt, maar nooit met het gevoel dat je wat dan ook kunt bereiken.
Alles wordt gedaan voor zijn eigen schoonheid.
Je leven wordt je sadhana.
Er is niets in de omstandigheden ; als we hun niets anders vragen dan wat ze zijn, hebben zij hun eigen schoonheid. Je leeft op een functionele wijze, zonder doel, zonder intentie. Dit is de boodschap van de Gita, als Krishna aan Arjuna vraagt om zijn plicht te doen en zijn voorkeuren en afkeer te laten zwijgen. Het strijden tegen zijn meesters en verwanten op het slagveld van Kurukshetra heeft geen enkele bijzondere betekenis. Arjuna doet dit omdat het gedaan moet worden. Er is geen toekomst, geen bedoeling ; hij handelt eenvoudig op een functionele wijze. Dit is de betekenis van sadhana volgens het traditionele, non-dualistische standpunt.
Deze genade valt blijkbaar dikwijls toe aan mensen die er nooit actief naar gezocht hebben. Zijn sommige mensen beter geschikt dan anderen om de genade te ontvangen of valt zij per toeval op de arme zielen die zich van niets bewust zijn ?
E.B.: Als ze blijkbaar toevallig naar bepaalde mensen gaat, is het omdat we niet goed kijken. Mensen die in de genade leven, zij die men meesters noemt – wat men ook onder dat woord verstaat – schijnen misschien een heel eenvoudig leven geleid te hebben, maar ik denk dat het hun nederigheid is, of ons gebrek aan helderheid, die ons dit zo doet zien. Zij die grote inspanningen leveren in hun ‘sadhana’ leven eigenlijk alleen in het worden. Zij leven in de spanning, in de dorst om iets te worden, om vrij te worden. In het verlangen is geen plaats voor iets anders. Er is geen verschil in het verlangen om vrij te zijn, of het verlangen om rijk of mooi te zijn of om een rode auto te bezitten.
De weinige personen die de durf hadden om het neerdalen van de genade te beschrijven, vermelden allen dat ze op dat moment eenvoudig stil en rustig waren. Jean Klein keek naar de vogels op Marina Drive in Bombay. Vergilius besefte dat er niets was dat dringend gedaan moest worden. De genade komt alleen in de ogenblikken van niet-weten, niet-willen. Ze kan je nooit raken in een moment van verwachting, in de gedrevenheid van het willen. Wie de genade zoekt, kan slechts zijn eigen beperkingen tegenkomen.
Als wij de nederigheid hebben te voelen hoezeer we de genade onwaardig zijn, omdat we uitsluitend leven met eisen en voorwaarden en als we ons onvermogen beseffen om hiermee te stoppen, dan is deze heldere visie de genade zelf. Niets gebeurt.
Als ik meen dat ik de genade zou moeten ontvangen omdat ik yoga beoefen, omdat ik mediteer, omdat ik dit of dat doe, dan leef ik alleen in mijn pretenties.
Natuurlijk, in zeer diepe zin, is alles genade. Zowel het zoeken van genade als het zoeken van geld wordt gedragen door genade. Wij hoeven ons leven niet te veranderen: als je yoga wenst te doen of als je geld wenst te verdienen, ga ermee door. Maar zie dat je motivaties voortkomen uit je gebrek aan helderheid.
Op zeker ogenblik vraagt men niets meer van de activiteit. Men handelt om het handelen zelf. De genade is niets anders dan dat dit volkomen vanzelfsprekend wordt. Ze bestaat niet uit het zien van een witte olifant of uit het aanschouwen van Vishnu; ze bestaat uit het zien van onze pretenties. Iets anders dan dit kan er nooit zijn. Dit is de ultieme visie. God willen zien is een fantasie.
Maar wat is dan de waarde van een inspanning ? Is er een verschil tussen zijn tijd doorbrengen met vrienden en televisie kijken of de heilige schriften lezen en proberen ‘sattvisch’ te leven in een pure omgeving ? Maakt dit uiteindelijk geen verschil ?
E.B.: Alleen voor hen die projecties maken. Alle waarden zijn jouw waarden.
Maharaj leefde in een ‘tamas’ (donker, onwetend) omgeving, hij at vlees en hij leefde zijn vrijheid. Sommige mensen leven in ashrams en zijn heel zuiver, maar ze leven in angst en verwachting. Dan hebben deze dingen geen waarde.
Voor de buurman van een muzikant is vijf uur per dag pianospelen een grote inspanning, maar voor de muzikant zelf niet. Anders is hij geen musicus. Als je yoga beoefent terwijl je weet dat je yoga beoefent, is dit geen yoga. In yoga is geen plaats voor het weten, er is enkel gewaarworden. Als je voelt dat je je inspant om te mediteren, dan heeft dit geen zin. Op een gegeven moment vraagt het televisiekijken inspanning en het mediteren niet. De dingen komen op een natuurlijke wijze. Het ene voedsel trekt je meer aan dan het andere, sommige vrienden, bepaalde muziek, sommige ruimten spreken je meer aan dan andere. Dit alles is volkomen functioneel en geen enkele voorkeur is superieur aan een andere.
Voor heel wat mensen is het slagveld de plaats van genade : daar beseffen ze hun angsten en zien ze uit welke stof ze werkelijk gemaakt zijn. Voor anderen is het de plaats waar ze mediteren. Maar de echte plaats van de genade is waar we niets willen, waar alle voorwaarden en aanmatigingen afwezig zijn. Als we beweren dat wij ons inspannen, alswe erop staan de uitvoerder van een handeling te zijn, is er geen plaats voor de genade. In de overtuiging dat er geen uitvoerder, geen ‘doener’ van de handeling is, kan ik kiezen om yoga te beoefenen of niet. Ik stel mij tevreden dit te zien. Als ik yoga doe, doe ik yoga; als ik er geen doe, doe ik er geen. Hoe zou ik mijn leven kunnen veranderen? Ik kan niets veranderen. Ik stel vast dat ik geroepen ben om te leven in de Himalaya’s, of in een hotel of in een dancing. Denken dat het ene beter is dan het andere heeft absoluut geen zin. Dit zijn alleen verschillende levenswijzen. Om tot rijpheid te komen hebben we allemaal verschillende ontmoetingen nodig. Daarom willen sommigen mediteren, terwijl anderen de behoefte voelen om zich over te geven aan drugs of om de oorlog in te gaan.
Onze pretenties dat we de ‘doener’ zijn van onze handelingen, sluit ons af voor alle genade. Er is geen enkele ‘doener’ behalve de Heer zelf. Als ik dit zie, ben ik niets: alleen de Heer is. Dan kan men zeggen dat er een voorgevoel van genade is.
Beweren dat ik elders zou moeten zijn dan in het concentratiekamp is ‘wishful thinking’, een oordeel. Voor Jacques Lusseyrand was Buchenwald de genade. Voor sommigen is het de yoga, maar voor vele anderen is het een valstrik. Voor de meeste mensen is het volgen van een sadhana een valstrik, die pijn veroorzaakt en hen onbevredigd achterlaat. Vooral als je het doet met verwachtingen zal het je niets bijbrengen en zul je eindigen met de bewering dat je niet geoogst hebt wat je wilde. Als ik staande houd dat ik dit nodig heb, of dat moet verwezenlijken, of de schriften moet lezen, wachten mij grote moeilijkheden, eenzaamheid en afgescheidenheid, want ik zoek mezelf waar ik niet ben. Ik voel me niet bemind, niet begrepen, ik heb het lastig.
Maar als ik tot mezelf kom, besef ik dat ik in de verkeerde richting zocht, ik probeerde mezelf te vinden in mijn lichaam en denken. Ik erken dit tekort aan inzicht. Het stoort me niet: ik kan niet anders denken. Ik aanvaard het helder. Wat overblijft is een resonantie: ik ben tegenwoordig. Niet tegenwoordig voor iets, maar gewoon tegenwoordig.
Het geluk is hier, als ik ophoud te beweren dat het elders is. Als ik ook maar een millimeter moet bewegen, interesseert het mij niet. Wat ik wil is enkel en alleen wat ik heb. Ik hoef nergens te gaan. Wat ik buiten kan vinden, kan ik verliezen. Dus ga ik nergens heen; ik blijf waar ik ben. Zit ik in de gevangenis, ik blijf in de gevangenis.Woon ik in een ashram, ik blijf in de ashram. Ben ik thuis, ik blijf thuis. Ergens anders is er niet voor mij. Denken dat er daar meer is dan hier is een fantasie. Het belet de genade als zodanig te ervaren.
Er zijn mensen die besluiten op een bepaald uur en voor een bepaalde duur te mediteren. Wat is de waarde van de meditatie als opgelegde oefening ?
E.B.: De enige ‘waarde’ is dat het een breuk schept met wat geen ‘meditatie’ is. Het verdeelt het leven in fragmenten. Er kan niets opgelegd zijn in de meditatie. Niet jij roept de meditatie op, de meditatie roept jou.
De meditatie roept je op bepaalde ogenblikken van de dag. Je bent klaar met een activiteit en nog niet begonnen met de volgende. Je zit stil, je ligt stil of je staat stil op je hoofd. Je bent gewoon aanwezig voor wat er is, nu. Meteen wordt het lichaam het voornaamste object van jouw aandacht. Eerst ontmoet je het grove deel: de spanning, het zwaartegevoel, de angst, de onrust. Deze gewaarwordingen lossen op in vibratie, licht, warmte. Er komt een gevoel van ruimte, van vibrerend licht, dat weerklinkt in jouw stilte, in jouw aanwezigheid. Je bent gelukkig, je hebt geen behoeftes, geen toekomst. De meditatie roept je.
’s Morgens na het opstaan gaan mediteren heeft enkel zin als men het doet zoals men ook ’s morgens naar het toilet gaat, of zijn tanden poetst. Je doet het niet om verlicht te worden. Je doet het omdat het natuurlijk is, zoals het bij het ontwaken natuurlijk is om naar het toilet te gaan, de tanden te poetsen, de mond te spoelen… Het is een normale manier van leven.
Het doelgerichte mediteren kan ons afsluiten van de ware meditatie, een moment in het leven waarbij we uitgenodigd worden voor de stilte. Dit doet me denken aan een vriend, een bekende goeroe. Een andere vriend was naar hem gaan luisteren en zei: “Ik voel dat hij tot een zekere stilte gekomen is, maar niet dat de stilte hem bereikt heeft.” Ik dacht dat dit een bijzonder briljant commentaar was op mijn ‘gerealiseerde’ vriend. Als je mediteert met een doel, met een tijdschema, kan het zijn dat je tot een stilte komt, maar de stilte zal je nooit aanraken.
Meditatie is als de stilte je overvalt.
Dit kan op elk moment gebeuren, tijdens het liefdesspel, terwijl je drinkt, als je naar de televisie kijkt. Als je deze vorm van stilte op je voelt neerdalen is er geen televisie meer, er is niets anders meer, alleen maar stilte. En je geeft je meer en meer over aan deze stilte.
Als dit gebeurt ‘s morgens bij het opstaan is dit prachtig. Een yogi die om twee uur ’s morgens gaat zitten mediteren doet geen oefening, het is gewoon iets wat gebeurt. Als je ouder wordt en verzwakt, sta je later op, maar er ontbreekt niets. Als ik Jean Klein ontmoette ging hij ’s morgens van drie tot acht uur zitten voor yoga, pranayama en meditatie. Later zat hij in een rolstoel en kon dit niet meer doen, maar er was niets veranderd.
Er zijn gewoon momenten in het leven waar het lichaam de schoonheid kan uitdrukken door regelmatig te gaan zitten, zonder inspanning. Maar als er iemand is om lief te hebben of als er ruzie gemaakt moet worden of als er wat dan ook te doen is, is dit precies hetzelfde. Je moet jezelf niet aansporen of dwingen om het te doen. Het ontstaat van binnen, het resoneert. Als een muzikant de roep van de muziek hoort, staat hij ’s morgens om vijf uur op en schrijft muziek, alleen maar voor de vreugde van de muziek. In stilte gaan zitten is er alleen voor de vreugde van het zitten. Anders valt men in die fantasie van sommige zen-scholen, waarin men iets wilt bereiken. Dat heeft bij sommige takken van de Soto en Rinzai geleid tot collaboratie tijdens de oorlog van Mandjoerije en in de tweede wereldoorlog. De deelname van zenkloosters aan de fascistische uitingen van het Japanse leger in China was gebaseerd op een houding om satori te willen bereiken. Als mediteren met bedoelingen gedaan wordt, is het een vorm van oorlog, het creëert oorlog. Als het iets is waar je niets over weet, dat je gewoon uitnodigt om te gaan zitten in stilte en dat je wat later in de dag vergezelt bij je dagelijkse handelingen, is het iets mooi.
Ik merk dat men alle vragen kan herleiden tot één enkele vraag. Steeds weer komt het verlangen om iets te gaan doen om de hoek kijken. Wat denkt u hierover ?
E.B.: Natuurlijk! Ik heb dit ook meegemaakt bij mijn leraar. Hij had al mijn vragen beantwoord. Er was niets meer te vragen, maar die beweging van energie om iets te vragen bleef opkomen, zelfs al wist ik dat er geen antwoord kon zijn. Eigenlijk vroeg ik hem om mij te doen zwijgen, dat was duidelijk. Het enige antwoord was om te zwijgen. Maar dit kan enkel gebeuren als men er rijp voor is, niet als men het wil ; wanneer men duidelijk ziet dat men niet kan uitstijgen boven het niveau van zijn begripsvermogen, dat het denken enkel voortkomt uit de pretentie dat de gedachte in staat zou zijn om tot begrijpen te komen.
Als men voortdurend leeft in het besef dat de gedachte niet kan leiden tot wat voorbij de gedachte ligt, dat het voelen niet kan leiden tot wat voorbij het voelen is, blijft er wat Meester Eckhart beschreven heeft als de nederigheid. Het is de ruimte waar God zelf de plaats en de kracht is van wat is. (zie Eckhart, Inzicht 2001/2) Maar zolang ik het wil, kan ik het niet hebben … want ik geloof het niet te hebben.
Als ik aan een leraar vraag wat ik moet doen, beweer ik dat het er niet is. Deze bewering houdt mij verwijderd van mijn authenticiteit, van mijn resonantie, die is wat ik ben. Men zou dus meer en meer in deze resonantie moeten leven, haar voelen en uiten op velerlei manieren, totdat ze als zodanig evident is en het verlangen om vragen te stellen ophoudt. Want er is niets te vragen. Als je niets vraagt, vloeit de energie niet naar buiten en kan ze in stilte wakker worden.
Het is belangrijk te beseffen dat alle vragen uiteindelijk terugkeren naar de vraag “Wat kan ik doen?” en dat het antwoord luidt dat je niets kunt doen. Bijgevolg moet men leven met dit feit en de helderheid zal komen in de vorm van nederigheid. Ik kan niet winnen, dus houd ik op met vechten. Zolang ik nog het geringste idee heb dat ik kan winnen als ik dit of dat doe, dat het zich zal openbaren als ik daarheen ga, als ik zo zou leven, als ik niet zo zou leven, als ik dit niet zou doen, enzovoort, ontken ik mijn authenticiteit, ontken ik wat nu is.
De impuls om te vragen, die aan de wortel van alle activiteit in het leven ligt, kan alleen zijn wat ze is: een weerspiegeling van de waarheid. Daarom is de vraag een uiting van het antwoord: zij weergalmt vanuit haar bron.
Als er absoluut een oorzaak en gevolg moet zijn, is het antwoord dan de oorzaak van de vraag ?
E.B.: Ja, zonder de intuïtie van het antwoord, kan men de vraag niet stellen. Eigenlijk is de vraag een teken dat het antwoord op zoek is naar zichzelf.De denker is het gedachte.
Ik probeer niet iets te vinden. Men kan nooit zien wat men moet vinden. Het ware blijft over als ik het valse herken. Je kunt de slang niet wegnemen: je moet het touw herkennen en dan is er geen slang meer.
Ik besef dus duidelijk dat ik niet anders kan zijn. Ik accepteer dat. Ik leef met mijn pretenties en zwijg. Ik heb er geen opinies over : dat ik anders zou moeten zijn, dat ik geen pretenties zou mogen hebben. Als ik duidelijk mijn pretenties erken, zonder het idee dat ik vrij van pretenties zou moeten zijn, kom ik terug in de resonantie.
Wat hier is, openbaart zich als de waarheid, de waarheid die zichzelf zoekt. Wat met mij gebeurt is waarheid, wat het ook is Alleen in mijn verhaal dat de waarheid ginder is, dat ik me niet gedeprimeerd mag voelen, enzovoort, ben ik bezig het goddelijke te ontkennen. Wat ik nu ervaar is stilte en ik zwijg. Bijgevolg leef ik met wat er van moment tot moment gebeurt ; een andere manier is er niet. De waarheid is niet iets om te voelen of om te ervaren. Het is de constante ervaring van de onwaarheid. Het is een niet-ervaring. Daarom is het nooit iemand overkomen. Daarom kan ook niemand in de waarheid leven. Men kan alleen zien dat men in de onwaarheid leeft.
Vrij zijn is geen bezigheid. Je bent wat je bent.
Jean Klein was musicus. Hij was niet ‘vrij’, hij was wat hij was.
Shankaracharya creëerde rituelen om Surya, Lakshmi en Ganesha te vieren en schreef hymnes over vrijheid. Hij was niet ‘vrij’, hij was viering. Niemand is vrij, dit is een fantasie.
Wij hebben deze fantasie nodig om onszelf bewust ongelukkig te houden, om te kunnen beweren dat we gelukkig zullen zijn als we zo of zo geworden zijn, om te beweren dat we bestaan. Wat een zwaarwegende pretentie.
Ere zij Hem !
[deze tekst verscheen in het kwartaaltijdschrift ‘InZicht’ nr 2001/4, website www.inzicht.org ]

/